1. Nieuw

Deze pagina is het laatst bewerkt op : Februari 2018

Winstvoet en cyclische crises – Verenigde Staten, 1951-2018

[NL] - EU 1951-2018 - Taux de profit & Crises cycliques

Opmerking voor het lezen van onze grafieken : al onze indicatoren werden omgezet tot indexen (1948 of 1951 = 100). Een index van 134 in 1966 voor de winstvoet betekent dat deze index 34% hoger was dan het niveau van 1951, terwijl een index van 85 in 1982 betekent dat deze index 15% lager was. Grijze stokken zijn er alleen om de jaren van economische crisis officieel als zodanig erkend aan te duiden, hun hoogte heeft dus geen bijzondere betekenis.

Winstvoet en cyclische crises

Het behalen van winst is het doel en de motor van elke investering in de kapitalistische economie : een kapitaalleverancier zal slechts dan investeren als hij verwacht dat deze investering een voldoende winstmassa en een voldoende winstpercentage zal opleveren : "De winstvoet is de drijvende kracht in de kapitalistische productie en er wordt alleen geproduceerd als er met winst kan worden geprodu- ceerd. [...] voor zover de mate van verwezenlijking van het totale kapitaal, de winstvoet, de prikkel is van de kapitalistische productie (zoals het aanwenden van het kapitaal het enige doel is) ... " [1]. De winstvoet meet op de ene of andere manier de uiteindelijke winstgevendheid van de kapitalistische economie omdat hij verslag doet van de behaalde opbrengsten van de gedane investering. Marx berekent de winstvoet door de verkregen meerwaarde te delen door het totale geïnvesteerde kapitaal [2]. Als de winstvoet stijgt (pijlen naar boven in grafiek), gaan de zaken goed, wanneer de winstvoet afneemt (pijlen naar beneden), gaan de zaken achter- uit, en wanneer de winstvoet het dieptepunt (cirkels) heeft bereikt van een dalende en stijgende cyclus, breekt de crisis uit (verticale grijze lijnen).

Dit laatste zal tot gevolg hebben het verzwaren van de arbeidsomstandigheden van de werknemers en het verlagen van de waarde van alle bij productieve activiteit betrokken elementen : de lonen worden lager als gevolg van de stijgende werkloosheid en de 'kapitaal-machine' (of constante kapitaal) wordt minder waard als resultaat van de faillissementen, liquidaties of onverkochte waren. Met andere woorden, door het verhogen van de teller van de winstvoet (de winst die voortvloeit uit de uitbuiting van de werknemers) en het verminderen van de noemer (waardedaling van machines en dalende lonen), maakt de crisis een verhoging van de winstvoet mogelijk. Een nieuwe productiecyclus kan dan op gang komen tot de volgende crisis en ga zo maar door : "De ingetreden hapering van de productie zal een latere expansie van de productie voorbereiden – binnen de kapitalistische grenzen. En zo zou de cyclus opnieuw hernemen. Een deel van het kapitaal, dat door de stagnatie minder waard was geworden, zou de oude waarde herwinnen. Voor het overige zou met verruimde productievoorwaarden, met een grotere markt en met meer productiekracht, dezelfde gebrekkige cyclus worden hernomen." [3]. Het interne mechanisme van de crisis schept op deze wijze zelf de voorwaarden voor een "grotere markt", "meer productiekracht" en een "verhoogde productie".


Dit is precies wat we zien in grafiek hierboven waarin elke crisis opkomt na een cyclus van stijgende en dalende winstvoet. Daarom kan worden aangenomen dat de neergang van de winstvoet sinds 2013 de volgende crisis aankondigt [4]. Deze uit zichzelf op gang komende ademhaling van productieve activiteit, afgewisseld met periodieke crises, vormt één van de mooiste bevestigingen van de analyse die Marx heeft gemaakt uitgaande van zijn empirische waarnemingen en zijn theoretisch werk. Engels heeft dit als volgt samengevat in de Anti Dühring [5]: “Inderdaad, sinds 1825, toen de eerste algemene crisis uitbrak, geraken de gehele industrie- en handelswereld, de productie en de circulatie van alle beschaafde volken en hun meer of minder barbaarse aanhangsels zo ongeveer iedere tien jaar eenmaal uit hun voegen. Het verkeer stokt, de markten zijn overvuld, producten blijven liggen, even talrijk als onverkoopbaar, het baar geld wordt onzichtbaar, het krediet verdwijnt, de fabrieken staan stil, de arbeidende massa krijgt gebrek aan levensmiddelen, omdat zij te veel levensmiddelen hebben geproduceerd. Het ene bankroet volgt het andere, de ene gedwongen verkoop de andere. Jarenlang duurt de strem- ming, productiekrachten zowel als producten worden op grote schaal verspild en vernield totdat de opgestapelde warenmassa met groter of kleiner waardeverlies eindelijk afvloeien, totdat productie en ruil geleidelijk weer op gang komen. Geleidelijk wordt de gang sneller, geraakt in draf, de industriële draf gaat over in galop en deze wordt weer tot het teugelloze rennen van een volslagen steeplechase [Steeplechase — wedren met hindernissen. — Red.] van industrie, handel, krediet en speculatie, om eindelijk na de meest halsbrekende sprongen weer terecht te komen in — de greppel van de krach. En zo steeds weer opnieuw. Dat hebben wij nu sinds 1825 al vijf volle malen beleefd en wij beleven het op dit ogenblik (1877) voor de zesde keer” [6].

De relevantie van deze analyse blijkt niet alleen uit al de cyclische crises die sinds de Tweede Wereldoorlog hebben plaatsgevonden, zoals blijkt uit onze grafiek hierboven, maar meer in het algemeen door de vierentwintig crises die het kapitalisme heeft gekend in bijna twee eeuwen [7], als we 1825 aanhouden als de eerste algemene crisis van het kapitalisme: "... het feit dat pas met de crisis van 1825 de periodieke kringloop van haar moderne ontwikkeling een aanvang nam" [8]. Dit geeft ons een gemiddelde cyclus van acht jaar tussen elke crisis. Aangezien de vorige crisis plaatsvond in 2008-09, zal de volgende zich waarschijnlijk dit jaar of volgend jaar ten volle manifesteren.

Het cyclische karakter van de kapitaalaccumulatie en de crises gedurende twee eeuwen, en de perfecte overeenstemming tussen de ontwikkeling van de winstvoet en het uitbarsten van de crisis, zou diegenen op zijn minst tot gespreksstof moeten dienen, die zich nog beroepen op de luxemburgistische analyse die - ondanks het ontbreken van een dergelijk bewijs, stelt dat "De formulering van de kringloop van de moderne kapitalistische industrie als een tienjarige cyclus was bij Marx en En- gels in de zestiger en zeventiger jaren een eenvoudige constatering van de feiten, die bij hen niet op de een of andere natuurwet, maar op een rij bepaalde historische omstandigheden berustte [...] Dat die internationale crises zich juist om de tien jaar herhaalden, is op zich een puur extern, toevallig verschijnsel." [9] en "Hoe dan ook, deze troost verdampt helaas door één enkele zin van Marx, namelijk waar hij er op wijst 'dat voor grote kapitalen de dalende winstvoet gecompenseerd wordt door de massa'. De ondergang van het kapitalisme door de daling van de winstvoet kan aldus nog duren tot Sint Juttemis" [10]. Dat het kapitalisme in twee eeuwen vierentwintig internationale crises heeft gekend die zo nauw samenhangen met veranderingen in de winstvoet, is niet "een puur extern, toevallig verschijnsel", temeer daar deze correlatie precies op alle punten overeenkomt met de analyse door Marx in Het Kapitaal. Daarentegen zijn de speculaties van Luxemburg over de compensatie van de dalende winstvoet door de massa van de winst voor de grote kapitalisten nauwelijks bevestigd.
_______________________________________________

[1] Marx Het Kapitaal, Boek 3, Hoofdstuk 15.

[2] In alledaagse taal: winst / totale kapitaal = winst / (lonen + kapitaal in machines) of, in marx- istische termen: meerwaarde / (variabel kapitaal + constant kapitaal).

[3] Marx Het Kapitaal, boek 3, Hoofdstuk 15.

[4] We hebben hier het voorbeeld van de Verenigde Staten aangehouden, omdat - ondanks het krachtsverlies sinds de jaren 1970 - dit land al meer dan een eeuw de overheersende economie in de wereld is gebleven, en als zodanig, vaak de plaats is waar internationale crises uitbreken (denk aan die van 1929 of de vorige, de subprime-crisis van 2008-09). Op enkele uitzonderingen na, zoals India en China, waarop we later terug zullen komen, omdat we hier nu helaas niet verder op in kunnen gaan, zijn de in dit document beschreven ontwikkelingen geldig voor het grootste deel van de wereldeconomie.

[5] Dit boek op naam van  Engels,  is  in  werkelijkheid  ontworpen,  besproken  en  geschreven  samen met Marx : "… de hier ontwikkelde beschouwingswijze voor verreweg het grootste deel door Marx gefundeerd en ontwikkeld is en slechts voor het kleinste deel door mij, sprak het voor ons vanzelf dat dit geschrift niet zonder zijn voorkennis tot stand kwam. Ik heb hem het gehele handschrift vóór de druk voorgelezen en het tiende hoofdstuk van de afdeling over economie (Uit de kritische geschiedenis) is door Marx geschreven.” Engels' voorwoord bij de tweede editie, Engels Anti-Dühring - De heer Eugen Dührings omwenteling van de wetenschap, Uitgeverij Progres, Moskou 1978,  blz. 9/10.

[6] Engels Anti-Dühring - De heer Eugen Dührings omwenteling van de wetenschap, Uitgeverij Progres,
Moskou 1978, blz. 325/326
.

[7] 1825, 1836-39, 1847-48, 1857, 1864-66, 1873, 1882-84, 1890-93, 1900-03, 1907, 1911-13, 1918-21
(23 etc.), 1929-32, 1937-38, 1948-49, 1952-54, 1957-58, 1966-67, 1970-71, 1974-75, 1980-82, 1990-
91, 2001, 2008-09.

[8] Marx Het Kapitaal Boek I, voorwoord bij de tweede druk.

[9] Rosa Luxemburg Hervorming of revolutie ? Amsterdam 2006, blz. 53 en 54. Zie ook Sozialreform
oder Revolution ?



[10] Rosa Luxemburg Die Akkumulation des Kapitals oder Was die Epigonen aus der Marxschen
Theorie gemacht haben - Eine Antikritik in Gesammelte Werke Band 5, Berlin 1975, blz. 446
voetnoot.

Vertaling met dank aan Fredo Corvo

.

Terug naar boven

Winstvoet – Meerwaardevoet – Organische samenstelling van het kapitaal, Verenigde Staten (1951-2016)

[NL] - EU 1951-2016 - Taux de profit - Taux de plus-value - Composition du capital

De winstvoet meet de rentabiliteit van het totale geïnvesteerde kapitaal. Het geeft aan hoe het kapitaal zichzelf waardeert en zo de mate van verwezenlijking van de kapitalistische finaliteit tot uitdrukking brengt. Van alle wetten van het kapitalisme is het datgene wat Marx historisch gezien het belangrijkst vond [1]. De schommelingen vertolken twee dynamische factoren :

1) Enerzijds bestaan de korte termijn pulsaties van de cycli van accumulatie uit achtereenvolgens een periode van stijging van de winstvoet, en dan uit een daling om tot slot met een recessie te beëindigen (1954, 1958, 1960, 1970, 1975, 1982, 1991, 2001, 2009...). Dit zijn de conjunctuurcycli die typisch door Marx in Het Kapitaal [2] worden bestudeerd. Hij noemde die cycli “tienjarige cycli” [3] en die cycli worden hoofdzakelijk bepaald door veranderingen in de meerwaardevoet.

2) Anderzijds laten de tendentiële ontwikkelingen van de winstvoet op middellange termijn vier hoofdfasen van ongeveer vijftien jaar zien: een stijging (1951-66), een daling (1966-82), een stijging (1982-97), een daling (1997-2009) en opnieuw een stijging sinds 2009, middellange fasen die voornamelijk bepaald worden door de cycli van min of meer vijftien jaar van de organische samenstelling (in waarde) van het kapitaal.

Maar het is niet omdat de winstvoet aan het einde van elke accumulatiecyclus daalt dat men onvermijdelijk geconfronteerd wordt met een tendentiële daling van de winstvoet, net zoals het is niet omdat de opwarming van de aarde en het zomerseizoen samenvallen met een stijging van de temperatuur dat deze twee verschijnselen dezelfde causaliteit hebben: de eerste houdt verband met menselijke activiteiten en de tweede met de rotatie van de aarde rond de zon. Hetzelfde geldt voor de winstvoet: noch de korte- of fluctuaties op middellange termijn, noch de oorzaken van deze fluctuaties verward moeten worden. De steeds dalende winstvoet aan het einde van de accumulatiecycli kan dus gebeuren binnen een stijgende of dalende trend op middellange termijn van de winstvoet. Het is op middellange termijn dat de tendentiële daling opereert zoals Marx in Het Kapitaal aangeeft, en niet bij elke korte cyclus [4].

Schommelingen in de winstvoet vloeien voort uit de respectievelijke evolutie van de meerwaardevoet (teller) en van de organische samenstelling van het kapitaal (noemer):

Op de grafiek hierboven is er een sterke gelijkenis tussen de ontwikkeling van de winstvoet en die van de meerwaardevoet te zien voordat de organische samenstelling van het kapitaal de gevolgen ervan verzwakt of versterkt: in periodes zowel van dalingen als van herstel verandert de winstvoet van richting eerst door de inversie van de meerwaardevoet en dan door de gevolgen van de organische samenstelling van het kapitaal.

Wat echter niet uit het oog verloren kan worden, is dat zowel de teller (meerwaardevoet) als de noemer (de organische samenstelling van het kapitaal) allebei sterk beïnvloed worden door de ontwikkeling van de arbeidsproductiviteit. De gevolgen van die laatste worden uitvoerig beschreven in de grafieken hieronder die de determinanten van de meerwaardevoet en van de organische samenstelling van het kapitaal verklaren.

Om op eigen benen te staan heeft het kapitalisme twee elementen nodig: productie en verkoop. De meerwaardevoet wordt echter al te vaak beperkt tot de productiemoeilijkheden (de moeilijkheid om genoeg overwerk voor een gegeven kapitaal uit te trekken). De meerwaardevoet is eigenlijk een synthetische variabele die de dynamieken en de tegenstrijdigheden uitdrukt wat de productie én de verwezenlijking van de waarde betreft : aangezien zijn ontwikkeling zowel van de efficiëntie van het kapitaal (noemer) als van de meerwaardevoet (teller) in dezelfde maat afhangt, meet de meerwaardevoet het vermogen van het kapitaal om zijn rendabiliteit te garanderen evenzeer als de overeenstemming van het gebruik van de lonen met de productie. Het is dus verkeerd om alleen een van de twee aspecten van het accumulatiecircuit (productie of verkoop) op de voorgrond te stellen, of strikt het ene van de andere te doen afhangen. Marx werkt eigenlijk een geïntegreerde visie uit van het accumulatiecricuit in een systeem van gedeeltelijk onafhankelijke variabelen. Deze synthetische opvatting van de meerwaardevoet is een van de belangrijkste methodologische bijdragen van Marx. We zijn dus heel ver van de simplificerende schema die de complexe werking van Het Kapitaal en van zijn tegenstrijdigheden reduceren en tot een monocausale verklaring brengen waarin de steeds terugkerende crises de hele geschiedenis door telkens hun oorsprong vinden in een enige factor, zij het :

•    de tegenstelling tussen het sociale karakter van de productie en de private toe-eigening ervan (Lenin)
•    de geleidelijke uitputting van niet-kapitalistische markten (Luxemburg)
•    het gebrek aan meerwaarde als gevolg van de overaccumulatie (Grossman-Mattick) ;
•    de concentratie van het kapitaal en de wanverhoudingen tussen sector I & sector II (Hilferding) ;
•    de ongelijke ruil (Samir Amin) ;
•    de “forme valeur” en de overgang tot rëele dominatie van het kapitaal (Internationalist Perspective)
•    Enz.

Kortom moet de meerwaardevoet gezien worden als een geïntegreerde indicator van zowel de productieomstandigheden als van de verwezenlijking van het totaal sociaal product. Het drukt evenveel de tegenstrijdigheden die de verdeling van de geproduceerde waarde met zich meebrengt (de klassentrijd – dat is te zeggen de meerwaardevoet als teller) als de dynamiek van verzwaring in omvang en in waarde van het vast kapitaal (de productiemiddelen – dat is te zeggen de organische samenstelling van het kapitaal als noemer).

Vertaling : Lucas Bernaerts et Dora Jeguirim.

.

Terug naar boven

Het methodologisch kader van de crisistheorie bij Marx en zijn empirische bekrachtiging


De drie stadia van de naoorlogse periode en hun bepalende factoren [1]

Vanaf het einde van de oorlog tot 1965 blijft de winstvoet op een hoog niveau (grafiek 1) dankzij de productiviteitwinsten (grafiek 2). Door deze productiviteitwinsten daalt de organische samenstelling van het kapitaal (grafiek 3 en grafiek 1 voor de inverse van deze samenstelling). De mate waarin deze daalt wordt is voldoende om de daling van de meerwaardevoet (grafiek 1) te compenseren. Deze daling vindt zijn oorsprong in een sterkere vergroting van de reële lonen als die van de productiviteitwinsten (grafiek 2 [2]).

Tussen 1965 en 1979 valt de winstvoet aanhoudend door de afname van de meerwaardevoet (grafiek 1). Deze afname is van 1963 tot 1973 gekoppeld aan stabilisatie van de organische samenstelling van het kapitaal en van 1973 tot 1984 gekoppeld aan een vergroting van deze samenstelling (grafieken 3 en 1). De bedrijven maken dit rentabiliteitverlies goed door grootschalige ontslagen (grafiek 4). De heroprichting van het industrieel reserveleger in de jaren '70 oefent dan een neerwaartse druk uit op de stijging van de reële lonen (grafieken 2 en 4).

Door deze rem op de stijging van de reële lonen ten opzichte van de productiviteit (grafiek 2) is van 1979 tot 2001 een spectaculair herstel mogelijk van de meerwaardevoet en vervolgens de winstvoet (grafiek 1). De economische groei aan haar kant wordt vooral gestimuleerd door de stijging van de schuldenlast naar het Engels model.

.... Het vervolg is te lezen in het artikel "Het methodologisch kader van de crisistheorie bij Marx en zijn empirische bekrachtiging" ... voorlopig enkel in het Frans beschikbaar : « Le cadre méthodologique de la théorie des crises chez Marx et sa validation empirique ».


___________________________
[1] Deze vier grafieken komen uit een uitstekend artikel van Sergio Camara Izquierdo : "The Dynamics of The Profit Rate in Spain (1954-2001)" en is beschikbaar op http://rrp.sagepub.com/cgi/content/abstract/39/4/543

[2] De grijze delen op grafiek 2 tonen de periodes waar de verandering van de reële salarissen onder de verandering van productiviteit ligt. Het jaar 1979 vormt een breuk: in de voorgaande periode ligt de verandering van de reële lonen algemeen gezien boven de verandering van de productiviteit; vervolgens ligt deze er algemeen gezien onder.

.

Terug naar boven

Lonen en productiviteit (Verenigde Staten)


Vertaling van de grafiek : Coût salarial horaire = Loonkosten per uur ; Productivité horaire = Productiviteit per uur ; Secteur privé non agricole = Privésector uitgezonderd de landbouw

De naoorlogse periode wordt gekenmerkt door een parallellisme tussen de stijging van productiviteit en reële lonen. Dit stabiliseert het aandeel van de lonen in de totale geproduceerde rijkdom en zorgt ervoor dat het kapitalisme tijdelijk kan ontkomen aan “een overproductie die daaruit voortvloeit, dat de massa van het volk nooit meer dan de gemiddelde hoeveelheid van de gemiddelde hoeveelheid goederen voor levensbehoeften kan verbruiken, zijn consumptie bijgevolg niet groeit in overeenstemming met de arbeidsproductiviteit” (Marx [1]).

Dat is de fundamentele uitleg overgenomen door de naoorlogse Marxisten om de welvaart van die periode te begrijpen : “Het is ontegenzeggelijk dat in het moderne tijdperk de reële lonen gestegen zijn. Maar uitsluitend binnen het raamwerk van de kapitaalsuitbreiding, wat veronderstelt dat de verhouding tussen lonen en winsten in het algemeen constant blijft. De arbeidsproductiviteit zou dus stijgen met een snelheid die tegelijk kapitaalsaccumulatie mogelijk maakt en stijging van het levensniveau van de arbeiders” (Mattick [2]). Anders gezegd, “lonen en winsten kunnen stijgen als de productiviteit voldoende toeneemt…” (Mattick [3]). Dit laat zien dat de École de regularisation [4] niets fundamenteel nieuws heeft uitgevonden: ze heeft enkel een analyse doorgetrokken die al heel erg ontwikkeld was bij Marx en zijn opvolgers [5].

De discrepantie tussen de productiviteit en de lonen wordt pas vanaf de jaren 1980 duidelijk en groter. De snellere groei van de productiviteit (bovenste curve) ten opzichte van de lonen (onderste curve) beeldt de natuurlijke neiging van het kapitalisme uit om de productie sneller te laten groeien dan de koopkrachtige vraag. Dit is niets anders dan de basisuitleg van Marx voor de overproductie : “Juist de overproduktie heeft de algemene produktiewet van het kapitaal tot voorwaarde, te produceren in verhouding tot de produktiekrachten (dat wil zeggen de mogelijkheid, met een gegeven hoeveelheid kapitaal een zo groot mogelijke hoeveelheid arbeid uit te buiten) zonder acht te slaan op de bestaande grenzen van de markt of de koopkrachtige vraag” [6].  Anders gezegd : “De uiteindelijke oorzaak van alle werkelijke crises blijft altijd de armoede en concumptiebeperking van de massa’s tegenover de drang van de kapitalistische produktie om de produktiekrachten zo te ontwikkelen, alsof uitsluitend het absolute consumptievermogen van de maatschappij haar grens vormt” [7]. Dit is ook hetgeen Engels heeft samengevat op een wijze waarvan hij alleen de kunst verstond : “Terwijl de produktiekracht groeit in een geometrische reeks, neemt de uitbreiding van de markten op zijn hoogst rekenkundig toe” [8].

_____________________________

[1] Karl Marx, Theorien über den Mehrwert, Zweiter Teil, Sechzehntes Kapital, Ricardos Profittheorie, (e) Ricardo über das Fallen der Profitrate und seine Rententheorie, MEW, Bd. 26.2, p. 469.

[2] Paul Mattick, Intégration capitaliste et rupture ouvrière, 1969, édition EDI, p. 151.

[3] Paul Mattick, Le capital aujourd’hui, uitgegeven door Maximilien Rubel in Etudes de marxologie, nr. 11, juni 1967.

[4] Een Franse school in de economische wetenschap.

[5] Onder andere 'Socialisme ou Barbarie' (1949-67), een marxistisch tijdschrift dat in zijn tijd welgekend was, heeft de École de regularisation (Aglietta, Souyri, Lipietz, enz.) grotendeels geïnspireerd zoals het uit het volgende citaat duidelijk wordt : “Het kapitalisme kan een compromis sluiten wat de verdeling van sociale product betreft, aangezien een verhoging van de lonen die van de zelfde grootteorde is als de verhoging van de arbeidsproductiviteit, de huidige verdeling grofweg onveranderd laat. (…) Het klassiek idee was dat het kapitalisme niet in staat was om loonstijgingen te dragen, aangezien deze onvermijdelijk de winsten verkleinen, en dus de vermindering van het accumulatiekapitaal tot gevolg heeft die noodzakelijk zijn voor de bedrijven om te kunnen overleven aan de concurrentie. Dit statisch beeld komt echter niet overeen met de werkelijkheid. Indien de productiviteit van de arbeiders op jaarbasis met 4% stijgt, en de lonen eveneens, stijgen de winsten noodzakelijkerwijze ook met 4% als het overige constant blijft. (…) Zolang de verhoging van de lonen de productiviteitswinsten niet wezenlijk en duurzaam overschrijden, en dat deze veralgemeend zijn, zijn loonverhogingen perfect verenigbaar met de groei van het kapitaal. Deze zijn vanuit een strikt economisch perspectief zelfs noodzakelijk. In een economie die op jaarbasis gemiddeld met 3% groeit en waar de lonen overeenkomen met 50% van de uiteindelijke vraag, zal elk verschil - hoe klein dat het ook is - tussen de loonverhogingen en de groei van de productie binnen de kortste keren leiden tot een geweldige onbalans, en tot een onvermogen om de productie te slijten die door geen enkele depressie rechtgezet kan worden, hoe diep deze ook is” ('Socialisme ou Barbarie' nummer 31, artikel geschreven in 1959 en gepubliceerd in 1960).

[6] Karl Marx, Theorien über den Mehrwert, Zweiter Teil, Siebzehnten Kapital, 15. Ricardos Ansichten über die verschiedenen Arten der Akkumulation des Kapitals und über die ökonomischen Folgen der Akkumulation, MEW, 26.2, p. 535.

[7] Karl Marx, Das Kapital, 30. Kapitel, MEW, Bd. 25, p. 501.

[8] Karl Marx, Das Kapital, Bd. 1, Vorwort zur englischen Ausgabe, 1886, MEW, Bd. 23, p. 39-40.

Terug naar boven