1. Nieuw

Deze pagina is het laatst bewerkt op : Maart 2016

Winstvoet en cyclische crises – Verenigde Staten, 1951-2017 : Graphiek hieronder

« Productive labour, price/value ratio and rate of surplus value : theoretical viewpoints and empirical evidence »

Sergio Camara Izquierdo : « The Dynamics of the Profit Rate in Spain (1954-2001) »

Winstvoet en cyclische crises – Verenigde Staten, 1951-2017


Vertaling met dank aan Fredo Corvo

.

Terug naar boven

Winstvoet – Meerwaardevoet – Organische samenstelling van het kapitaal, Verenigde Staten (1951-2014)


Vertaling met dank aan Fredo Corvo.

.

Terug naar boven

Het methodologisch kader van de crisistheorie bij Marx en zijn empirische bekrachtiging


De drie stadia van de naoorlogse periode en hun bepalende factoren [1]

Vanaf het einde van de oorlog tot 1965 blijft de winstvoet op een hoog niveau (grafiek 1) dankzij de productiviteitwinsten (grafiek 2). Door deze productiviteitwinsten daalt de organische samenstelling van het kapitaal (grafiek 3 en grafiek 1 voor de inverse van deze samenstelling). De mate waarin deze daalt wordt is voldoende om de daling van de meerwaardevoet (grafiek 1) te compenseren. Deze daling vindt zijn oorsprong in een sterkere vergroting van de reële lonen als die van de productiviteitwinsten (grafiek 2 [2]).

Tussen 1965 en 1979 valt de winstvoet aanhoudend door de afname van de meerwaardevoet (grafiek 1). Deze afname is van 1963 tot 1973 gekoppeld aan stabilisatie van de organische samenstelling van het kapitaal en van 1973 tot 1984 gekoppeld aan een vergroting van deze samenstelling (grafieken 3 en 1). De bedrijven maken dit rentabiliteitverlies goed door grootschalige ontslagen (grafiek 4). De heroprichting van het industrieel reserveleger in de jaren '70 oefent dan een neerwaartse druk uit op de stijging van de reële lonen (grafieken 2 en 4).

Door deze rem op de stijging van de reële lonen ten opzichte van de productiviteit (grafiek 2) is van 1979 tot 2001 een spectaculair herstel mogelijk van de meerwaardevoet en vervolgens de winstvoet (grafiek 1). De economische groei aan haar kant wordt vooral gestimuleerd door de stijging van de schuldenlast naar het Engels model.

.... Het vervolg is te lezen in het artikel "Het methodologisch kader van de crisistheorie bij Marx en zijn empirische bekrachtiging" ... voorlopig enkel in het Frans beschikbaar : « Le cadre méthodologique de la théorie des crises chez Marx et sa validation empirique ».


___________________________
[1] Deze vier grafieken komen uit een uitstekend artikel van Sergio Camara Izquierdo : "The Dynamics of The Profit Rate in Spain (1954-2001)" en is beschikbaar op http://rrp.sagepub.com/cgi/content/abstract/39/4/543

[2] De grijze delen op grafiek 2 tonen de periodes waar de verandering van de reële salarissen onder de verandering van productiviteit ligt. Het jaar 1979 vormt een breuk: in de voorgaande periode ligt de verandering van de reële lonen algemeen gezien boven de verandering van de productiviteit; vervolgens ligt deze er algemeen gezien onder.

.

Terug naar boven

Lonen en productiviteit (Verenigde Staten)


Vertaling van de grafiek : Coût salarial horaire = Loonkosten per uur ; Productivité horaire = Productiviteit per uur ; Secteur privé non agricole = Privésector uitgezonderd de landbouw

De naoorlogse periode wordt gekenmerkt door een parallellisme tussen de stijging van productiviteit en reële lonen. Dit stabiliseert het aandeel van de lonen in de totale geproduceerde rijkdom en zorgt ervoor dat het kapitalisme tijdelijk kan ontkomen aan “een overproductie die daaruit voortvloeit, dat de massa van het volk nooit meer dan de gemiddelde hoeveelheid van de gemiddelde hoeveelheid goederen voor levensbehoeften kan verbruiken, zijn consumptie bijgevolg niet groeit in overeenstemming met de arbeidsproductiviteit” (Marx [1]).

Dat is de fundamentele uitleg overgenomen door de naoorlogse Marxisten om de welvaart van die periode te begrijpen : “Het is ontegenzeggelijk dat in het moderne tijdperk de reële lonen gestegen zijn. Maar uitsluitend binnen het raamwerk van de kapitaalsuitbreiding, wat veronderstelt dat de verhouding tussen lonen en winsten in het algemeen constant blijft. De arbeidsproductiviteit zou dus stijgen met een snelheid die tegelijk kapitaalsaccumulatie mogelijk maakt en stijging van het levensniveau van de arbeiders” (Mattick [2]). Anders gezegd, “lonen en winsten kunnen stijgen als de productiviteit voldoende toeneemt…” (Mattick [3]). Dit laat zien dat de École de regularisation [4] niets fundamenteel nieuws heeft uitgevonden: ze heeft enkel een analyse doorgetrokken die al heel erg ontwikkeld was bij Marx en zijn opvolgers [5].

De discrepantie tussen de productiviteit en de lonen wordt pas vanaf de jaren 1980 duidelijk en groter. De snellere groei van de productiviteit (bovenste curve) ten opzichte van de lonen (onderste curve) beeldt de natuurlijke neiging van het kapitalisme uit om de productie sneller te laten groeien dan de koopkrachtige vraag. Dit is niets anders dan de basisuitleg van Marx voor de overproductie : “Juist de overproduktie heeft de algemene produktiewet van het kapitaal tot voorwaarde, te produceren in verhouding tot de produktiekrachten (dat wil zeggen de mogelijkheid, met een gegeven hoeveelheid kapitaal een zo groot mogelijke hoeveelheid arbeid uit te buiten) zonder acht te slaan op de bestaande grenzen van de markt of de koopkrachtige vraag” [6].  Anders gezegd : “De uiteindelijke oorzaak van alle werkelijke crises blijft altijd de armoede en concumptiebeperking van de massa’s tegenover de drang van de kapitalistische produktie om de produktiekrachten zo te ontwikkelen, alsof uitsluitend het absolute consumptievermogen van de maatschappij haar grens vormt” [7]. Dit is ook hetgeen Engels heeft samengevat op een wijze waarvan hij alleen de kunst verstond : “Terwijl de produktiekracht groeit in een geometrische reeks, neemt de uitbreiding van de markten op zijn hoogst rekenkundig toe” [8].

_____________________________

[1] Karl Marx, Theorien über den Mehrwert, Zweiter Teil, Sechzehntes Kapital, Ricardos Profittheorie, (e) Ricardo über das Fallen der Profitrate und seine Rententheorie, MEW, Bd. 26.2, p. 469.

[2] Paul Mattick, Intégration capitaliste et rupture ouvrière, 1969, édition EDI, p. 151.

[3] Paul Mattick, Le capital aujourd’hui, uitgegeven door Maximilien Rubel in Etudes de marxologie, nr. 11, juni 1967.

[4] Een Franse school in de economische wetenschap.

[5] Onder andere 'Socialisme ou Barbarie' (1949-67), een marxistisch tijdschrift dat in zijn tijd welgekend was, heeft de École de regularisation (Aglietta, Souyri, Lipietz, enz.) grotendeels geïnspireerd zoals het uit het volgende citaat duidelijk wordt : “Het kapitalisme kan een compromis sluiten wat de verdeling van sociale product betreft, aangezien een verhoging van de lonen die van de zelfde grootteorde is als de verhoging van de arbeidsproductiviteit, de huidige verdeling grofweg onveranderd laat. (…) Het klassiek idee was dat het kapitalisme niet in staat was om loonstijgingen te dragen, aangezien deze onvermijdelijk de winsten verkleinen, en dus de vermindering van het accumulatiekapitaal tot gevolg heeft die noodzakelijk zijn voor de bedrijven om te kunnen overleven aan de concurrentie. Dit statisch beeld komt echter niet overeen met de werkelijkheid. Indien de productiviteit van de arbeiders op jaarbasis met 4% stijgt, en de lonen eveneens, stijgen de winsten noodzakelijkerwijze ook met 4% als het overige constant blijft. (…) Zolang de verhoging van de lonen de productiviteitswinsten niet wezenlijk en duurzaam overschrijden, en dat deze veralgemeend zijn, zijn loonverhogingen perfect verenigbaar met de groei van het kapitaal. Deze zijn vanuit een strikt economisch perspectief zelfs noodzakelijk. In een economie die op jaarbasis gemiddeld met 3% groeit en waar de lonen overeenkomen met 50% van de uiteindelijke vraag, zal elk verschil - hoe klein dat het ook is - tussen de loonverhogingen en de groei van de productie binnen de kortste keren leiden tot een geweldige onbalans, en tot een onvermogen om de productie te slijten die door geen enkele depressie rechtgezet kan worden, hoe diep deze ook is” ('Socialisme ou Barbarie' nummer 31, artikel geschreven in 1959 en gepubliceerd in 1960).

[6] Karl Marx, Theorien über den Mehrwert, Zweiter Teil, Siebzehnten Kapital, 15. Ricardos Ansichten über die verschiedenen Arten der Akkumulation des Kapitals und über die ökonomischen Folgen der Akkumulation, MEW, 26.2, p. 535.

[7] Karl Marx, Das Kapital, 30. Kapitel, MEW, Bd. 25, p. 501.

[8] Karl Marx, Das Kapital, Bd. 1, Vorwort zur englischen Ausgabe, 1886, MEW, Bd. 23, p. 39-40.

Terug naar boven